De geschiedenis van Stichting 't Arm Kinderhuys en het Arme Weeshuys der Kercken van Breda
In 1536 bracht Hendrik III van Nassau, Heer van Breda alle kerkelijke instellingen voor de armenzorg onder in de ‘Aalmoezenierskamer’. Zo werd de wereldlijke en niet langer de kerkelijke overheid verantwoordelijk voor de ‘armenzorg’. Dit zeer tegen de overtuiging van Calvijn en zijn volgelingen.
Rond 1600 waren er in Breda nog geen weeshuizen. Het was hier gebruikelijk om weeskinderen, zonodig op kosten van de ‘Aalmoezenie’ onder te brengen in pleeggezinnen. Pas in 1602 nam ds.Hendricus Boxhorn het initiatief tot de oprichting van een weeshuis. De kinderen van overleden gereformeerden werden opgevoed in katholieke gezinnen. Dat was voor hem onverteerbaar. Hij verzocht het stadsbestuur toestemming te geven voor de oprichting van een gereformeerd weeshuis.

De ‘Aalmoezenie’ was in financiële problemen geraakt door het groot aantal wezen uit de verschillende oorlogen. En dat was de praktische reden voor het stadsbestuur om het plan te steunen. Als een particuliere instelling zich gaat bezighouden met de wezenzorg is dat een ontlasting voor de stedelijke armenkas.
Er werd toestemming gegeven om een loterij te organiseren om het benodigde startkapitaal bij elkaar te brengen. Dat was indertijd een gebruikelijke manier om geld bij elkaar te krijgen voor goede doelen. De pestepidemie vertraagde de uitvoering van de plannen, maar op 15 mei 1606 kon het ‘Arme Weeshuys der kercken ende der stadt van Breda’ worden opgericht, het Burgerweeshuis.
Het stadsbestuur stelde het voormalige klooster van de Zwarte Zusters aan de Oude Vest (tegenwoordig Kloosterplein) ter beschikking voor huisvesting van het weeshuis.
Het bestuur kwam in handen van een Regentencollege, wat bestond uit vier leden. Twee werden door de stad voorgedragen en twee hadden zitting namens de kerkenraad van de gereformeerde kerk.
De oorlogen veroorzaakte veel ellende. Niet alleen het aantal wezen nam toe, maar ook halfwezen. Ongehuwde moeders van gesneuvelde of vertrokken soldaten, die niet voor hun kinderen konden zorgen. In 1637 werd daarom besloten om naast het Burgerweeshuis een Armkinderhuis op te richten. Het huis werd gevestigd in het huis Van Galen, achter de oude vleeshal aan de Oude Veste.


Ook het Armkinderhuis kende een college van regenten of buitenvaders. Uit het ‘kinderboek’ uit 1700 blijkt dat er 59 kinderen waren. De meisjes gingen ‘speldewercken’ of kantklossen. Als ze oud genoeg waren gingen ze werken en dat bracht geld in het laatje. Op hun 21 ste verlieten ze het huis. Voor de jongens was dat vaak al eerder, ze namen dienst in het leger.
In de loop van de 18e eeuw nam het aantal kinderen sterk toe, tot wel 130 in 1792.
De regenten, buitenvaders van beide huizen waren afkomstig van de protestantse elite van Breda. Ze vergaderden wekelijks en in de loop der jaren werden ze bijgestaan door hun echtgenotes, de regentessen. Zij hielden zich vooral bezig met de huishoudelijke zaken.
De weeskinderen werden niet in een gezin opgevoed, maar in beide huizen probeerde men de sfeer van het gezin wel zoveel mogelijk te benaderen door het benoemen van een binnenvader en –moeder. Bij voorkeur was het een kinderloos echtpaar, gereformeerde burgers van de stad Breda. Zij waren belast met de opvoeding van de kinderen. De binnenvader was verantwoordelijk voor de scholing en de moeder voor voeding en kleding.
De beide huizen kwamen op drie manieren aan de benodigde financiën: collectes, giften in natura en inkomsten uit vermogen. Vooral in de 18e eeuw ontving het Burgerweeshuis omvangrijke legaten van gegoede burgers. In 1711 werd een rentmeester aangesteld om het geld te beheren.
Door de jaren heen schommelde het aantal kinderen, al bleef het Amkinderhuis in al die jaren goed bezet.
In 1922 kwam de vraag op tafel of de twee kinderhuizen niet moesten gaan fuseren. Het college van regenten van het Burgerweeshuis was daar fel op tegen. In 1942 werd een tweede poging gedaan. De twee huizen woonden ondertussen al onder één dak en er werd besloten dat in de twee colleges dezelfde mensen zouden worden benoemd.


De riante financiële positie van het Burgerweeshuis maakte het in 1887 mogelijk om een heel nieuw gebouw neer te zetten, van twee verdiepingen. Het gebouw zal plaats kunnen bieden aan 24 kinderen, maar bij de opening op 1 mei 1889 waren er maar 4 (half)wezen en dat aantal is nooit verder gegroeid dan 12. In de latere jaren gingen er steeds meer stemmen op om de kinderen te plaatsen in pleeggezinnen in plaats van in een tehuis. Had het weeshuis nog wel toekomst?
In de 20ste eeuw concentreerde de kinderzorg zich op ‘voogdijkinderen’. Het college van regenten van het Burgerweeshuis wilde niet de richting van de kinderbescherming op gaan, maar er moesten wel nieuwe bronnen van inkomsten aangeboord worden. Er werd naarstig gezocht en het duurde tot mei 1974 dat het Boddaertcentrum in beeld kwam. Daarmee kreeg het gebouw een nieuwe bestemming.
In 2023/2024 heeft het huidige college van regenten besloten het pand aan het Kloosterplein 6 te verkopen. Op 16 december 2024 vond de overdracht plaats, maar er is wel bedongen dat de regenten- en regentessenkamer in tact blijven.
Contact
Bij voorkeur digitaal via
Email: armkinderhuys@gmail.com
Postbus 4671, 4803 ER Breda
Bankrekening: NL44ABNA0520212126


Deze stichting is een
ANBI stichting
De foto's op deze website zijn afkomstig van fotograaf Rolf ter Veer / collectie Stadsarchief Breda
